Duitsland heeft ongeveer 15 nationale parken met een totale oppervlakte van 950.000 ha. De belangrijkste hiervan zijn het Beierse Woud, de Waddenzee en het Vorpommersche Boddenlandschaft. In het noordoosten ligt de deelstaat Brandenburg. Vanwege de grote hoeveelheid meren –meer dan 3000- wordt Brandenburg ook wel met Finland vergeleken. Een derde van deze deelstaat is beschermd natuurgebied variërend in status van nationaal park (Unteres Odertal), biosfeerreservaat of natuurpark. Het gaat om zeer verschillende landschappen als rivierdalen, heidegebieden en oude beukenbossen. Dit zijn de belangrijkste redenen voor het feit dat aansprekende soorten als de wolf, lynx, grote trap, bever, kraanvogel en zeearend zich in Brandenburg thuis voelen.


Ongeveer in het midden van deze deelstaat ligt Berlijn. Berlijn is, behalve de hoofdstad van Duitsland, de op een na grootste stad van de Europese Unie en is een zelf ook een deelstaat. De stad heeft ruim 3,3 miljoen inwoners. Ondanks dit grote inwoneraantal is Berlijn een van de groenste steden van Europa. 22% van de stad bestaat uit natuur en parken en 6% uit meren, rivieren en kanalen.


Al meer dan honderd jaar kent Duitsland een netwerk van bossen waar men is gestopt met het actief beheer. Vaak werden hiervoor bossen aangewezen op verzoek van landschapsschilders, natuurbeschermers of bosonderzoekers. Belangrijke redenen voor deze vorm van –niet actief- beheer zijn het behoud van bepaalde bomen of landschappen en het verkrijgen van meer inzicht in natuurlijke ontwikkelingen in bossen. Dergelijke bossen, meestal met een oppervlakte van enkele honderden hectares, zijn vaak onderdeel van grotere boscomplexen. Er is naar gestreefd om van alle bostypen met inheemse boomsoorten minimaal een niet actief beheerde representant te hebben. Tegenwoordig worden deze bossen vaak oerwoudresten of natuurbossen genoemd. De Hudewälder van noordwest Duitsland behoren ook tot dit netwerk. Dit zijn bossen waar in het verleden sprake was van extensieve begrazing door landbouwhuisdieren. Kenmerken van deze Hudewälder zijn een open structuur, de aanwezigheid van veel oude bomen en dood hout en een weelderige bodemvegetatie. Hierdoor zijn deze bossen erg aantrekkelijk voor o.a. spechten, uilen en marters. Voorbeelden van dit soort bossen zijn Hudewald Ramsdorf, Neuenburger Urwald en Tinner Loh.


In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw kwam de kraanvogel als broedvogel in Europa nog slechts voor in dunbevolkte afgelegen regio’s. Door gerichte beheersmaatregelen en het herstel van geschikte leefgebieden heeft deze soort zich op een spectaculaire wijze kunnen herstellen. Vele organisaties in Duitsland hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Tegenwoordig herbergt het land tijdens het broedseizoen duizenden paren van deze fraaie vogels. Vrijwel de gehele kraanvogelpopulatie van noordwest Europa passeert tijdens de voor- en najaarstrek Duitsland. Op sommige concentratieplaatsen kan men dan soms wel meer dan zestigduizend exemplaren waarnemen.


Na een lange afwezigheid is de Europese wolf weer bezig aan een terugkeer in de Duitse natuur. Beschermende maatregelen in de meeste Europese landen hebben er voor gezorgd dat deze soort zich o.a. in Polen en Tsjechië uit kon breiden. Vanuit deze landen zijn er in de jaren negentig van de vorige eeuw dieren in Duitsland terecht gekomen. Momenteel, in 2018, leven er enige tientallen wolvenroedels, met name in het zuiden en oosten van het land. Inmiddels zijn enkele dieren van hieruit doorgedrongen tot in Denemarken en Nederland. De verwachting is dat de populatie zich verder naar het westen zal verspreiden.